Een AED bestaat onder andere uit een microprocessor en elektroden. De elektroden, die op het lichaam geplakt worden, verzamelen informatie over het ritme van het hart, welke informatie door de microprocessor wordt geïnterpreteerd. Als er sprake is van ventrikelfibrillatie (het ongecontroleerd samentrekken van de hartspieren), adviseert de microprocessor een schok om het hart te defibrilleren. Met toediening van de elektrische schok wordt getracht het hartspierweefsel te ontladen. Hierdoor stop het hart even met ongecontroleerd samentrekken (fibrilleren). De sinusknoop krijgt hierdoor weer de kans om de controle over het hartritme terug te krijgen, waardoor het hart weer in een normaal ritme kan gaan kloppen.



